Van de 14e tot de 17e eeuw werd de stad geregeld geteisterd door
pestepidemieën. De gevreesde 'zwarte dood' kostte veel mensen het
leven. In sommige jaren wel 10 procent van de bevolking. In verschillende
steden werden zogenoemde Pesthuizen gebouwd, om pestpatiënten
op te vangen. In Amsterdam lag het Pesthuis in het centrum, binnen de stadswallen.
Aanvankelijk werd het Pesthuis van de rest van de gebouwen gescheiden door
middel van een sloot. Uiteindelijk werd besloten tot het bouwen van een pesthuis
buiten de wallen om zo het besmettingsgevaar te beperken. De eerste verhuizing
was naar een plaats ter hoogte van de Leidsestraat. Toch was op deze locatie
het besmettingsgevaar nog te groot. Het Pesthuis moest een plek krijgen,
nog verder buiten de stad. Het Pesthuis verhuisde naar het moerasgebied
rondom
de Overtoomsevaart. Op de plek waar nu de tweede Constantijn Huygensstraat
is. Kort na deze verhuizing was de pestepidemie over haar hoogtepunt heen.
Men ving vanaf die tijd hier ook andere zieken en krankzinnigen op. Deze
mensen werden in Het Pesthuis opgenomen, dat vanaf toen een andere
naam kreeg: het
Buitengasthuis. Hier werden de zieken opgenomen waar men in het chiquere
centraal gelegen Binnengasthuis vanaf wilde. Dit waren vaak krankzinnigen
die men in de binnenstad te luidruchtig vond.
|  © Gemeentearchief Amsterdam |